Stem-, Spraak- en Taalpathologie
Latest Publications


TOTAL DOCUMENTS

10
(FIVE YEARS 5)

H-INDEX

0
(FIVE YEARS 0)

Published By University Of Groningen Press

2666-674x

2021 ◽  
Vol 26 ◽  
Author(s):  
J. De Jong ◽  
Elma Blom ◽  
Chantal Van Dijk
Keyword(s):  

In dit artikel wordt de Nederlandse versie beschreven van een zinsherhaaltaak die ontwikkeld is binnen de Europese COST Action IS0804. De benaming voor de Nederlandse taak is LITMUS SRep NL. De taak stelt de gebruiker in staat om zinsherhaling bij meertalige kinderen te meten, door parallelle afname in de verschillende talen van het kind. In het artikel wordt de Nederlandse taak verantwoord en van een wetenschappelijk achtergrond voorzien. Daarnaast worden de resultaten gepresenteerd van de afname van de SRep in het Nederlands en in enkele andere talen. Aan de hand van die resultaten kunnen enkele vragen over de validiteit van de taak kunnen beantwoord. Tevens wordt het effect van verschillende scoringsmethoden van de SRep besproken met in het bijzonder aandacht voor een scoringswijze die de doelstructuur van de testitems centraal stelt.



2021 ◽  
Vol 26 ◽  
Author(s):  
Wim Tops ◽  
Maaike Callens ◽  
Marc Brysbaert

Tussen 2009 en 2015 ging aan de Universiteit Gent een grootschalig, longitudinaal onderzoek van start naar studeren met dyslexie in het hoger. Het doel was een breed beeld te krijgen van studenten met dyslexie die starten in het hoger onderwijs in Vlaanderen. Daarnaast werden deze studenten gedurende 3 academiejaren gemonitord om een beter beeld te krijgen van hun studievoortgang en studieresultaten. Als groep presteerden de studenten met dyslexie vaak lager dan de studenten zonder dyslexie, vooral voor lezen en spellen. Spelling was meer aangedaan dan lezen. Daarnaast hadden studenten met dyslexie een lagere verwerkingssnelheid dan studenten zonder dyslexie. Studenten met dyslexie hadden ook meer tijd nodig om verbale informatie uit hun langetermijngeheugen op te roepen (bijvoorbeeld eenvoudige rekenfeiten) dan studenten zonder dyslexie. Wat (vloeiende) intelligentie betreft werd er geen verschil gevonden tussen beide groepen. Wat de slaagcijfers betreft, behaalden 70% van de controlestudenten tegenover 57% van de studenten met dyslexie na drie jaar een bachelordiploma. Echter bleek dit verschil niet significant. Daarnaast zagen we bij studenten met dyslexie wel significant hogere dropoutcijfers in vergelijking met studenten zonder dyslexie. Studenten met dyslexie hadden een verhoogde kans om tijdens het academiejaar hun studierichting af te breken en/of van richting te veranderen. Momenteel wordt onderzocht welke factoren hiervoor verantwoordelijk zijn. Een belangrijke bevinding van deze studie blijft dat studenten met dyslexie ontegensprekelijk voor extra uitdagingen staan maar dat verder studeren ook voor hen zeker een haalbare kaart is. Studenten met dyslexie zijn dan ook gebaat bij een goede studiekeuzebegeleiding en voorbereiding van hun transitie van het secundair naar het hoger onderwijs.



2021 ◽  
Vol 26 ◽  
Author(s):  
Ellie R. H. Van Setten ◽  
Britt E. Hakvoort ◽  
Aryan Van der Leij ◽  
Ben A. M. Maassen
Keyword(s):  

In de huidige studie is onderzocht hoe (een familiair risico op) dyslexie zich manifesteert bij kinderen in groep 8 van het basisonderwijs met als doel een integraal beeld van deze leerstoornis te verkrijgen. Onderzocht werden de primaire woordleesstoornis, onderliggende deficiënties in fonologisch en orthografisch bewustzijn, automatiseren en visuele aandacht en eventuele secundaire problemen die niet direct onder de definitie van dyslexie vallen maar hier mogelijk wel mee geassocieerd zijn. Drie groepen kinderen namen deel aan het onderzoek; 85 kinderen met een hoog familiair risico op dyslexie, van wie 45 met dyslexie (HRDys) en 40 zonder dyslexie (HRnonDys), en 64 kinderen met een laag familiair risico zonder dyslexie (LRnonDys). Dit design maakte het mogelijk om te bepalen of de onderzochte factoren geassocieerd zijn met het familiair risico op dyslexie of alleen met de leesstoornis zelf. De resultaten laten zien dat de dyslectische groep in het algemeen lager scoort dan de twee niet-dyslectische groepen. Vooral bij de technische leestesten op woord- en zinsniveau en de testen die de onderliggende cognitieve vaardigheden meten, zijn de verschillen groot, maar ook op begrijpend lezen, woordenschat, rekenen en de CITO-eindtoets scoort de groep met dyslexie minder goed. De scores van de HRnonDys-groep zijn over het algemeen iets lager dan de scores van de LRnonDys-groep, maar de meeste van deze verschillen zijn niet significant. Er werd geen verschil tussen de groepen gevonden in het algehele welbevinden op school; wel zijn kinderen met dyslexie zich zeer bewust van hun lees- en spellingsproblemen en van het feit dat ze extra hulp nodig hebben. Daarnaast lezen kinderen met dyslexie minder vaak thuis en zijn relatief veel van deze kinderen blijven zitten. We concluderen dat de grootste verschillen in testuitslagen tussen groepen specifiek geassocieerd zijn met dyslexie, en niet enkel met het familiair risico op dyslexie.



2021 ◽  
Vol 26 ◽  
Author(s):  
Peter F. De Jong ◽  
Aryan Van der Leij

Al langer is bekend dat dyslexie in families voorkomt. Kinderen met een ouder met dyslexie hebben een grotere kans om ook lees- en spellingproblemen te ontwikkelen. In familiaire risico (FR) studies naar dyslexie worden kinderen met familiair risico op dyslexie voor langere tijd gevolgd. Dergelijke studies geven interessante inzichten over de oorzaken en ontwikkeling van dyslexie. In Nederland is recent een grootschalige FR-studie afgerond, het Dutch Dyslexia Program. In deze bijdrage gaan we in op de bevindingen die dit onderzoek heeft opgeleverd op een tweetal terreinen. In de eerste plaats zijn er bevindingen over de verschillen tussen FR- kinderen met en zonder dyslexie, en controle kinderen zonder familiair risico. Zoals verwacht, hadden de FR-kinderen met dyslexie een achterstand op een scala aan leesgerelateerde cognitieve factoren. Interessant was dat ze ook een wat hoger familiair risico hadden dan de FR-kinderen zonder dyslexie: hun ouders lazen nog wat slechter. De FR-kinderen zonder dyslexie hadden milde problemen met lezen en spellen en een kleine achterstand op de voorlopers van het lezen. Het tweede terrein betreft bevindingen over de invloed van FR op de ontwikkeling van geletterdheid, technisch en begrijpend lezen. Kinderen werden gevolgd vanaf 4-jarige leeftijd tot ongeveer 12 jaar, halverwege groep 8. In longitudinaal perspectief had een familiair risico een negatieve invloed op de ontwikkeling van technisch en begrijpend lezen. De invloed op technisch lezen liep gedeeltelijk via de voorlopers van het lezen, maar daar kwam nog een direct effect bij. Onverwacht, bleek familiair risico ook een direct effect op begrijpend lezen in groep 8 te hebben. Familiair risico had geen effect op de ontwikkeling van de woordenschat, naast technisch lezen de andere pijler van begrijpend lezen. De theoretische en praktische betekenis van deze bevindingen worden besproken.



2021 ◽  
Vol 25 ◽  
Author(s):  
Lizet Ketelaar ◽  
Bernadette Vermeij ◽  
Conja Adriaanse ◽  
Sanne Peet ◽  
Wiepke Koopmans

Doel: Het doel van het huidige onderzoek is zicht te krijgen op het verloop van de klankontwikkeling bij de huidige generatie Nederlandse kinderen met gehoorverlies en te onderzoeken welke factoren van invloed zijn op de klankontwikkeling bij deze groep kinderen. Methode: De klankontwikkeling van een groep van 28 kinderen met licht tot zeer ernstig perceptief gehoorverlies en van 31 kinderen zonder gehoorverlies is gevolgd over een periode van 12 maanden (leeftijd van 6 tot 18 maanden). Hiervoor werd elke 3 maanden de Infant Monitor of Vocal Production (IMP) afgenomen bij ouders. Daarnaast gaven ouders elke 3 maanden informatie over de hoorontwikkeling van hun kind (LittlEARS) en de draagduur van de hoortoestellen (aanpassing van de Amplification in Daily Life Questionnaire). Ook zijn datalogging gegevens van de hoortoestellen verzameld bij de audiologische centra. Resultaten: Uit dit onderzoek bleek dat kinderen met gehoorverlies op de leeftijd van 9 maanden een achterstand in de klankontwikkeling lieten zien ten opzichte van hun horende leeftijdsgenoten. Tevens lieten de resultaten zien dat een hogere mate van gehoorverlies leidt tot een minder goede hoorontwikkeling en daarmee een minder goede klankontwikkeling. Kinderen die hun hoortoestel meer droegen hadden een betere hoorontwikkeling. Conclusie: Op groepsniveau laten kinderen met gehoorverlies in het eerste levensjaar al een achterstand zien in de klankontwikkeling ten opzichte van kinderen zonder gehoorverlies. Er zijn, onder andere als gevolg van de mate van gehoorverlies, echter grote individuele verschillen in het verloop van de klankontwikkeling binnen de groep kinderen met gehoorverlies. Meer onderzoek is nodig om verder vast te stellen welke kinderen met gehoorverlies een groter risico lopen op een achterblijvende klankontwikkeling.



2020 ◽  
Vol 25 ◽  
Author(s):  
Margreet Langereis ◽  
Wouter Rijke ◽  
Anneke Vermeulen
Keyword(s):  

Dit artikel is geschreven ten behoeve van het NVSST symposium ‘to hear or not to hear’,1 maart 2019.Met een cochleair implantaat (CI) worden de spraakperceptiemogelijkheden in rustvan ernstig slechthorende en dove kinderen aanzienlijk verbeterd. In ongunstige luistersituatieszijn de hoormogelijkheden nog beperkt.De auditieve mogelijkheden met CI bieden in principe voldoende voorwaarde voorde verwerving van een leeftijdsadequaat woordbegrip. Echter op het gebied van complexeretaalvaardigheden zoals morfo-syntaxis, vertelvaardigheden en verbaal redenerenworden nog problemen beschreven.Een mogelijke verklaring daarvoor, naast het verminderde spraakverstaan, is gelegenin de zwakkere en instabiele fonologische representaties. Er blijken vooral problemenmet de storage component (fonologische loop) van het werkgeheugen. Dit heeft tot gevolgdat de capaciteit en de effectiviteit van het werkgeheugen verminderen.



2020 ◽  
Vol 25 ◽  
Author(s):  
Katrien Kestens ◽  
Sofie Degeest ◽  
Hannah Keppler

De meest frequente klachten van slechthorende ouderen zijn gerelateerd aan een verminderd spraakverstaan en een toegenomen luisterinspanning, voornamelijk in rumoerige luistersituaties. Ondanks gehoorrevalidatie in het kader van leeftijdsgebonden gehoorverlies (d.i. presbyacusis) voornamelijk met behulp van hoortoestellen verloopt, blijkt het hoortoestelvoordeel variabel te zijn. Recent wordt in de literatuur meer aandacht gegeven aan de link tussen cognitie en spraakverstaan. Een mogelijke hypothese is dat de variabiliteit in hoortoestelvoordeel te wijten zou zijn aan intersubject verschillen op vlak van cognitie. Het doel van dit review artikel is dan ook om de relatie tussen hoortoestellen, cognitie, auditief-cognitieve training en luisterinspanning in kaart te brengen en dit specifiek bij volwassen binaurale hoortoestelgebruikers. Vier interacties tussen binauraal hoortoestelgebruik, digitale hoortoestelfeatures, cognitie en luisterinspanning werden onderzocht: (1) Wat is de invloed van binauraal hoortoestelgebruik op cognitie? (2) Hoe beïnvloedt de cognitieve status van de hoortoestelgebruiker het hoortoestelvoordeel met betrekking tot spraakverstaan? (3) Wat is de invloed van binauraal hoortoestelgebruik op luisterinspanning? (4) Hoe beïnvloedt de cognitieve status van de hoortoestelgebruiker het hoortoestelvoordeel met betrekking tot luisterinspanning? Daarnaast werd ook het effect van auditief-cognitieve training op het hoortoestelvoordeel onderzocht. De huidige literatuur omtrent de besproken interacties is beperkt en toont variabele resultaten. Het is daarom niet mogelijk algemene uitspraken te definiëren. Verder onderzoek naar het hoortoestelvoordeel vanuit een auditief-cognitief perspectief is essentieel voor het optimaliseren van het hoortoestelvoordeel.



2020 ◽  
Vol 25 ◽  
Author(s):  
Joke Veltman

Deze bijdrage bevat persoonlijke ervaringen met luisteren met een cochleair implantaat (CI) van Joke Veltman, pianiste, Master of Music en initiatiefnemer-projectleider van de “Musi-CI training”. Deze training wordt nu ontwikkeld in samenwerking met Radboudumc en UMC Utrecht, met behulp van subsidie van ZonMw, project ‘Voor Elkaar!’. Dit project loopt door tot voorjaar 2021, met als uitkomst de publicatie van het Handboek Musi-CI training, waarmee revalidatie van CI-gebruikers kan worden verrijkt. De Musi-CI training komt tegemoet aan de wensen van CI-gebruikers én past binnen wat CI-teams kunnen bieden. De achtergronden van deze nieuwe aanpak met muziek als uitgangspunt worden besproken. Daarnaast worden ervaringen gedeeld van deelnemers aan de eerste ronde (najaar 2019) en tweede ronde (voorjaar 2020) van de Musi-CI training. OPCI (Onafhankelijk Platform Cochleaire Implantatie) stelt dat veel CI-gebruikers blijk geven van een (grote) behoefte om weer van muziek te leren genieten. https://www.opciweb.nl/ Er zijn in Nederland ruim 7500 mensen (volwassenen en kinderen) met een CI. Jaarlijks komen hier ruim 450 mensen bij. https://www.opciweb.nl/aantal-implantaties-in-nederland-t-m-2019/



2020 ◽  
Vol 25 ◽  
pp. 15-29
Author(s):  
Priscilla Ras ◽  
Djaina Satoer ◽  
Geert-Jan Rutten ◽  
Arnaud Vincent ◽  
Evy Visch-Brink

Patiënten met een laaggradig glioom (langzaam groeiende hersentumor) rapporteren vaak woordvindproblemen, terwijl deze met de huidig gebruikte benoemtests in de praktijk vaak niet geobjectiveerd worden. In deze studie worden de resultaten van een sensitieve snelle benoemtest (SBT) voor objecten besproken, toegepast bij deze patiëntengroep. Via deze nieuwe test werden reactietijden verzameld van 18 patiënten met een vermeend laaggradig glioom en van 20 gezonde participanten. Om uit te sluiten dat bij glioompatiënten tragere reactietijden worden gevonden als gevolg van algehele cognitieve traagheid, zijn de resultaten van een test voor cognitieve snelheid (Trail Making Test-A, TMT-A) meegenomen in het onderzoek. De resultaten op de SBT zijn vergeleken met de resultaten op de klinisch veel gehanteerde Boston Naming Test (BNT) om zo de toegevoegde waarde van de SBT te kunnen evalueren. Tevens is het effect van woordfrequentie en Age of Acquisition (AoA) op de benoemtijden onderzocht. Glioompatiënten waren significant langzamer in het benoemen van de objecten dan de gezonde participanten. De tragere reactietijdenwerden niet verklaard door een algeheel tragere verwerkingssnelheid. Ook de BNT-scores konden de lagere reactietijden op de SBT niet verklaren. Een kwalitatieve vergelijking tussen de resultaten van de BNT en de SBT duidde op een hogere sensitiviteit van de SBT voor woordvindproblemen. In de groep gezonde participanten wordt een effect gevonden van woordfrequentie en AoA op de benoemsnelheden, in de patiëntengroep is echter geen effect van deze variabelen waar te nemen. De resultaten laten een duidelijk verschil in benoemsnelheid zien tussen laaggradige glioompatiënten en gezonde participanten, terwijl patiënten zelden een afwijkende score behaalden op de BNT. Het lijkt zinvol om de SBT te gebruiken in de klinische praktijk, waarbij reactietijden als een belangrijk component meegenomen worden voor het diagnosticeren van woordvindproblemen bij glioompatiënten.



2020 ◽  
Vol 25 ◽  
pp. 1-14
Author(s):  
Hannelore van der Velden ◽  
Edith Denisse

In deze casus worden de klinische dilemma’s van taaldiagnostiek en afasietherapie in de verschillende revalidatiefasen van patiënte E. beschreven: E. kreeg een CVA, hetgeen resulteerde in stoornissen op het gebied van taal, visuele waarneming en conceptformatie. Zij maakte een langdurige revalidatieperiode door, met intensieve therapie, waarbij haar globale afasie evolueerde naar specifieke lees- en schrijfproblemen. Na een korte introductie van deze complexe casus worden de stappen in diagnostiek, therapie en begeleiding van deze patiënte beschreven.



Sign in / Sign up

Export Citation Format

Share Document