maar door
Recently Published Documents


TOTAL DOCUMENTS

11
(FIVE YEARS 0)

H-INDEX

0
(FIVE YEARS 0)

2020 ◽  
Vol 94 (3/4) ◽  
pp. 127-135
Author(s):  
Hans Strikwerda

Gelet op ontwikkelingen in de aard van ondernemingen, in het bijzonder de steeds belangrijkere rol van immateriële activa en informatie, groeit er een vraag naar het ex-ante beoordelen van strategie, bestuur en bedrijfsvoering, ex-post beoordelingen schieten te kort. Daarmee moet de functie van internal audit niet door de bril van de eigen functie proberen te kijken naar wat er van de internal auditor zal worden gevraagd, maar door de brillen van de maatschappelijke vraag en die van de veranderende aard van de onderneming en de veranderende aard van activa. De traditionele kennis voor de auditfunctie is dan niet meer voldoende. Ook de internal auditor zal zich meer en bredere kennis eigen moeten maken om nieuwe situaties op een juiste wijze te toetsen.



KWALON ◽  
2020 ◽  
Vol 25 (1) ◽  
Author(s):  
Fred Wester
Keyword(s):  

Voor ons ligt het eerste nummer van KWALON van de jaren Twintig. We schrijven het met een hoofdletter, want dat klinkt heel spannend en roept referenties op aan de Roaring Twenties van een eeuw geleden; we weten hoe dat afliep: met de beurscrisis van 1929. Het doet mij ook denken aan Geert Mak, die zijn serie In Europa begint met de vaststelling: ‘We begonnen de nieuwe eeuw vol optimisme, alles kon alleen maar beter worden.’ Dat is voor mij wel een beetje een verrassende tekst, die wellicht meer iets zegt over wat er in Maks tv-serie aan de orde komt, dan over de toestand op de rand van de nieuwe eeuw. Zoals de Roaring Twenties pas achteraf roaring bleken, zo is ook Geerts optimisme een toevoeging achteraf. We begonnen de eeuw immers in bange afwachting van computercrashes (vanwege verwachte datumproblemen van de wat oudere pc’s), een internet-zeepbel rond aandelen (denk aan Nina Brinks World Online), de onderwaardering van de gulden in de nieuwe euromunt, 2001 met 9-11, 2002 met de LPF-crisis en de moord op Fortuyn, 2003 met de invasie in Irak, en ga zo maar door.



2019 ◽  
Vol 77 (3) ◽  
pp. 276-292
Author(s):  
Rik Van Cauwelaert

Tot hij in april 1916 in de buurt van Diks-muide gewond raakte, was de dichter August Van Cauwelaert als broer van de politicus Frans Van Cauwelaert de man die soldatenklachten aanhoorde en die de spanningen tussen Franstalige bevelhebbers en de Vlaamse manschappen registreerde. Maar door de informatie die hem tijdens zijn her-stel in het Zuid-Franse Cannes bereikte, stond Gust Van Cauwelaert gaandeweg dichter bij de Frontbeweging dan zijn broer Frans. Dat blijkt uit een drietal hekeldichten die hij tijdens en na de oorlog schreef aan het adres van de Belgisch regering in Le Havre en aan koning Albert.Gust achtte zijn broer te goedgelovig in zijn contacten met de Belgische regering en met koning Albert. Meermaals waarschuwde hij Frans dat hij op het punt stond zijn prestige te verspelen. Eind december 1916 schreef hij hem: “Het feit dat gij geloofd hebt in de beloften die van hogerhand gedaan werden aangaande onze zaak, en dat vertrouwen hebt meegedeeld, heeft u kwaad gedaan, geloof me”.De verdeeldheid binnen de Vlaamse beweging die Gust had voorspeld was een feit toen hij in augustus 1919 werd gedemobiliseerd.__________ ‘Volk is voogd en meester moede Until he was wounded in the vicinity of Diksmuide in April 1916, the poet August Van Cauwelaert, as the brother of the politician Frans Van Cauwelaert, was the man who listened to soldiers’ complaints and who kept a record of tensions between French-speaking commanders and Flemish enlisted men. But, due to the information that reached him during his recuperation in Cannes in the South of France, Gust Van Cauwelaert gradually moved closer to the Front Movement than his brother Frans. This can be seen in three satirical pieces that he wrote during and after the war, directed at the Belgian government in Le Havre and to King Albert.Gust considered his brother to be too credulous in his contacts with the Belgian government and King Albert. On several occasions he warned Frans that he was about to forfeit his prestige. In the end of December 1916 he wrote to him: “The fact that you have believed in the promises that were made from on high regarding our cause, and that you have made that confidence known out loud, has done you harm, believe me.”The division among the Flemish Movement that Gust had predicted was a fact by the time he was demobilized in August 1919.



KWALON ◽  
2017 ◽  
Vol 22 (2) ◽  
Author(s):  
Erna Schilder
Keyword(s):  

Het is donker in de slaapkamer, maar door de gordijnen schijnt al wat licht. Het is bijna ochtend, vogels worden wakker en beginnen te zingen. Ik weet nooit goed wat voor vogels dat zijn. Lijsters? Of merels? Mussen dan? Ik weet te weinig van vogels.



2016 ◽  
Vol 90 (7/8) ◽  
pp. 290-291
Author(s):  
Ruud G.A. Vergoossen
Keyword(s):  

Het was een schok voor de Europese Unie en de rest van de wereld toen bleek dat de Britten in een referendum in meerderheid voor een Brexit hadden gestemd en dat als gevolg daarvan het Verenigd Koninkrijk zijn lidmaatschap van de Europese Unie zal beëindigen. In de media wordt uitgebreid gediscussieerd over de mogelijk ingrijpende economische en politieke consequenties van een Brexit. Het gaat dan over zaken als de verzwakking van het Britse pond en de Euro, de rem op de economische groei in het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie, handelsbarrières die worden opgeworpen, de inperking van het vrije verkeer van personen, Schotland dat zich wil losmaken van het Verenigd Koninkrijk om lid van de Europese Unie te kunnen blijven, Spanje dat een dergelijk lidmaatschap zal blokkeren om geen precedent te scheppen voor Catalonië, de roep om een Nexit, Frexit, Spexit, Grexit en ga zo maar door.



2015 ◽  
Vol 74 (2) ◽  
pp. 124-133
Author(s):  
Frans-Jos Verdoodt

Van 1884 af tot het einde van de Eerste Wereldoorlog waren in België, ononderbroken, katholieke regeringen aan de macht. Dat regeringsmonopolie werd op beslissende wijze ondersteund door het Belgisch episcopaat, dat op dwingende wijze de politieke eenheid oplegde aan de katholieke gelovigen. Na de invoering van het (mannelijk) meervoudig stemrecht geraakten die gelovigen onder elkaar echter steeds meer verdeeld omtrent de urgente sociaaleconomische thema’s van toen, niet in de laatste plaats onder druk van de opgang van de socialistische werkliedenbeweging.De hang naar democratische emancipatie botste echter frontaal met de conservatieve behoudsgezindheid, zelfs binnen het episcopaat, dat desondanks op absolute wijze vasthield aan de politieke eenheid onder de katholieke gelovigen. Zij die dit imperatief negeerden, waren in de ogen van de kerkelijke overheden dissidenten. Of ‘scheurmakers en carrièristen’, zoals Harry Van Velthoven hen betitelt in zijn recente publicatie omtrent de sociaal-politieke en sociaaleconomische strijd én de strijd om democratische erkenning, die tussen 1890 en 1914 werd gevoerd door de ‘christendemocraten’ en de ‘katholieke flaminganten’.Na de Eerste Wereldoorlog kwamen de decennia lang nagestreefde (maar door de katholieke regeringen en prelaten afgeremde) politieke, sociale en culturele hervormingen systhematisch tot stand.In het Vlaamse landsdeel van België waren intussen ook de twee gescheiden emancipatorische krachten, nl. de christendemocraten en de katholieke flaminganten, naar elkaar toegegroeid.________The virtual interdependence of the Catholic Supporters of the Flemish Movement and the Christian Democrats: a recent study by Harry Van Velthoven.An uninterrupted series of Catholic governments ruled Belgium from 1884 until the end of the First World War. That government monopoly received decisive support from the Belgian episcopacy, which decisively imposed political unity on the Catholic faithful.After the introduction of the (male) plural voting right those faithful gradually became more divided amongst themselves about the then current socio-economic issues, in particular due to the emergence of the socialist workers’ movement.However, the longing for democratic emancipation collided head-on with conservatism, even within the episcopacy that in spite of this absolutely insisted on political unity among the Catholic faithful. Ecclesiastical authorities considered those who ignored this imperative as dissidents. ‘Or the partionists and careerists’ as Harry Van Velthoven called them in his recent publication about the socio-political and socio-economic struggle and the fight for democratic recognition, which was carried out between 1890 and 1914 by the ‘Christian Democrats’ and the Catholic supporters of the Flemish Movement’. The political, social and cultural reforms that people had pursued for decades (but which had been hindered by the Catholic governments and prelates) were finally established in a systematic manner after the First World War.In the Flemish part of Belgium the two separate emancipatory powers, i.e. the Christian Democrats and the Catholic Supporters of the Flemish movement had meanwhile also grown closer together.



KWALON ◽  
2013 ◽  
Vol 18 (2) ◽  
Author(s):  
Gerben Moerman

Mijn vermoeden is dat bijna alle docenten in kwalitatief onderzoek de uitspraak herkennen van een van de KWALON-redacteuren ‘dat studenten na de cursus in kwalitatief onderzoek toch “blijven” denken in “kwantitatieve” termen’. Ik herken de uitspraak in ieder geval wel en heb zelf ook dergelijke gedachtes gehad. Sterker nog, ik denk dat juist dit mij al een aantal jaar inspireert om mijn onderwijs te verbeteren.Maar waarom inspireert dit eigenlijk? Wat is nou precies het probleem dat studenten in kwantitatieve termen denken na een vak over kwalitatief onderzoek? Op de eerste plaats is het denken in kwantitatieve termen natuurlijk totaal geen probleem als het om kwantitatief onderzoek gaat. Maar sommige kwantitatieve kwaliteitscriteria zijn minder relevant in en adequaat voor kwalitatief onderzoek. Voor veel kwalitatief onderzoek is generalisatie naar een populatie geen doel en dan is het criterium externe validiteit dus irrelevant. Andersom is het net zo problematisch om kwalitatieve criteria te gebruiken voor kwantitatief onderzoek. Zo heb ik bij een vak als statistiek voor antropologen zelfs na afloop studenten horen zeggen dat ‘mensen niet in getallen te vatten zijn’. Overigens klaagde ironisch genoeg juist een van deze studenten over de beoordeling van opdrachten in de categorieën goed, voldoende of onvoldoende, omdat die niet precies genoeg zouden zijn. Het moge duidelijk zijn dat de leerdoelen van mijn vak bij die studenten niet zijn overgekomen.Het probleem is dus niet alleen een probleem van het doceren van kwalitatief onderzoek, maar ook een standaardprobleem van doceren. Iets nieuws aanleren is niet zo moeilijk, maar iets afleren blijkt dat vaak wel. Studenten leven net als alle andere mensen in een wereld die ze voor lief nemen. In die leefwereld worden aan situaties waarmee ze in contact komen betekenissen gegeven vanuit bestaande kennis, of bekende andere situaties of acties. In termen van Schütz (1953) gebruiken mensen typificaties om betekenis te geven aan hun leefwereld. Door dergelijke typificaties is het logisch dat wanneer een student in contact komt met methodologie en wetenschap er vanuit een ‘wetenschappelijk methodologie’-vaatje wordt getapt.Dus wanneer studenten na afloop van een vak over kwalitatief onderzoek nog steeds in kwantitatieve termen over onderzoek praten, is blijkbaar niet helder genoeg geworden dat die typificatie een onjuiste is.Maar hoe komen die studenten nou aan een dergelijke typificatie?De typificatie van wetenschappelijke methodologie komt volgens mij voor een belangrijk deel voort uit populaire noties over wetenschap. Als we naar politieseries kijken, is de kwalitatieve analyse de meest dominante vorm. De rechercheurs voeren briljante kwalitatieve interpretaties uit. Het ultieme bewijs komt echter nooit door het verstehen van de rechercheur, maar door het saaie DNA. Echte wetenschap is hard en bestaat uit metingen van objectieve waarnemingen. Vroeger stond in de KIJK al niets over sociale wetenschappen en tegenwoordig is de oogst in de Quest ook mager. Sociale wetenschap wordt op televisie in programma’s als Proefkonijnen, de Nationale Wetenschapsquiz en De Wetenschap Draait Door helaas vooral gerepresenteerd door kwantitatief ingestelde onderzoekers die meestal experimenten uitvoeren. De common sense is toch dat verificatie in een experiment wetenschappelijk bewezen betekent. Mijn onderbuikgevoel is dat een naïef positivistisch beeld van de wetenschap simpelweg dominant is in de wereld buiten de hogeschool en universiteit.Maar als de typificatie daarvandaan komt, wat kunnen we er dan aan doen? Kunnen we wel het dominante discours veranderen? Dat laatste is in ieder geval minder makkelijk dan het veranderen van onze opleidingen, dus daar zal ik mij op richten in de beantwoording van de gestelde vraag: ‘Wat zijn adequate strategieën om bij studenten de identificatie van wetenschappelijk met kwantitatief denken te doorbreken?’Volgens mij moeten we eerst naar de hele opleiding kijken. Ik denk dat een van de manieren om de naïef kwantitatieve opmerkingen tegen te gaan een gedegen inleiding in de methodologie is. Aangezien deze inleiding bij veel opleidingen wordt gecombineerd met statistiek, zit daar al een belangrijk deel van het probleem. Mijn ervaring is dat een inleiding methodologie beter los kan staan van de praktische toepassing. Als de inleiding methodologie een theoretisch methodologisch vak is, wordt het weliswaar saaier, maar dan ligt de focus bij studenten veel meer op begrip van methoden in plaats van op de technieken, zoals het uitrekenen van sommen of het transcriberen van interviews. In een brede inleiding kun je ook verschillende ontologische en epistemologische posities naast elkaar zetten en vanuit die wetenschapsfilosofie gaan praten over methoden en technieken. Ik verwacht dat na een goede brede inleiding in de methodologie de typificatie van goed wetenschappelijk onderzoek in ieder geval diverser is.Een absoluut succesnummer in de common sense van studenten is dat onderzoek generaliseerbaar moet zijn. In krantenberichten over sociaalwetenschappelijk onderzoek is dat ook het dominante validiteitscriterium. Hoe belabberd de enquêtevragen ook, hoe wankel de correlaties, hoe onzinnig de vermeende causaliteit, hoe kunstmatig de onderzoekssetting, het onderzoek is pas goed als de steekproef bestaat uit meer dan duizend personen.Iedereen die iets weet van random sampling en selectieve respons weet dat dit magische getal toch niets hoeft te betekenen. Een goede steekproef is niet alleen een grote steekproef. En in veel kwalitatief onderzoek is het doel niet om te generaliseren naar een populatie.Om een of andere reden beklijft dergelijke kennis niet bij alle studenten. In statistiekcursussen vinden wij docenten het blijkbaar belangrijker dat de schattingen van studenten goed zijn dan dat we studenten vertellen wat er mis is met de schattingen in echte enquêtes. Wanneer studenten door kennis van kwantitatieve methoden deze ook kunnen relativeren, zou dit ook geweldig helpen.Echter, de rest van de opleiding beter maken is een noodzakelijke, maar niet voldoende manier om studenten van kwantitatieve typificaties af te helpen. Ik bespreek hieronder drie manieren waarop ik dat in mijn eigen onderwijs probeer.



2012 ◽  
Vol 86 (1) ◽  
pp. 2-4
Author(s):  
T. L. C. M. Groot
Keyword(s):  

We leven in economisch turbulente tijden, niet alleen wereldwijd maar zeker ook in Europa. De regeringen in Griekenland en Italië hebben deze turbulentie niet kunnen overleven en zijn inmiddels vervangen. Niet vanwege verkiezingen, maar door de economische situatie waarin deze landen terecht zijn gekomen. De ernst van de crisis werd niet duidelijk door druk van Europese politici of van economische deskundigen, maar door de ongeëvenaarde stijging van de rente op staatsobligaties. Een renteniveau dat de 7% overschrijdt maakte de financiering van het Italiaanse overheidstekort van 1900 miljard euro onbetaalbaar. Dit dwong Berlusconi tot het trekken van de conclusie om af te treden – iets wat talrijke integriteitscommissies voorheen niet voor elkaar hadden gekregen. Het is duidelijk dat financiële markten met hun enorme omvang en dynamiek een grote invloed op de economische ontwikkeling in Europa hebben. Individuele landen kunnen zich aan de tucht van deze markt niet onttrekken en het wordt nu ook duidelijk dat zelfs de gehele Europese Unie niet in staat is om deze markt te beteugelen zoals ze dat voorheen gewend was. De economische toekomst van Europa (en wellicht van de wereld) lijkt daarmee in grote mate bepaald door de werking van financiële markten.



2007 ◽  
Vol 81 (12) ◽  
pp. 594-599
Author(s):  
Marcel Pheijffer

De International Standards on Auditing (ISAs) vormen een stevige bundel. Te stevig volgens vele beroepsbeoefenaren. Zij hebben moeite het overzicht te houden in het regelwoud dat de accountancy omgeeft. Want naast de ISAs – hier te lande Controle- en Overige Standaarden (COS) geheten – hebben zij in Nederland nog te maken met de Wet Toezicht Accountantsorganisaties (WTA), het Besluit Toezicht Accountantsorganisaties (BTA), de Verordening Gedragscode (VGC), allerhande nadere voorschriften, een gedragsrichtlijn en diverse andere regelgeving. Maar ook internationaal komt de vraag op of we niet met minder in plaats van meer regels toe kunnen. Het is een belangrijke reden geweest voor de International Auditing and Assurance Standards Board (IAASB) om het zogeheten Clarity Project te starten. In deze bijdrage geef ik inzicht in het hoe en waarom van het Clarity Project. Dit mede in het perspectief van het permanente debat over principes en regels. Ik betoog dat de IAASB weliswaar een principle based-benadering nastreeft, maar door het Clarity Project juist komt tot meer op regels gebaseerde auditingstandaarden. Voorts laat ik zien dat internationale overname van de ISAs, onder meer in de Verenigde Staten en binnen de Europese Unie, nog geen gelopen race is.



Sign in / Sign up

Export Citation Format

Share Document