zouden zijn
Recently Published Documents


TOTAL DOCUMENTS

15
(FIVE YEARS 0)

H-INDEX

2
(FIVE YEARS 0)

2019 ◽  
Vol 9 (6-7) ◽  
pp. 99-102 ◽  
Author(s):  
Daniela E. Oprea-Lager ◽  
Emile F. I. Comans

Samenvatting In dit artikel worden beeldvormende technieken besproken die worden gebruikt bij de diagnostiek van prostaatkanker en worden toekomstige ontwikkelingen op dit terrein belicht. Nieuwe en op dit moment bij voorkeur gebruikte beeldvormende technieken (prostaatspecifiek membraanantigeen (PSMA), positronemissietomografie met computertomografie (PET/CT) en whole-body magnetic resonance imaging (MRI)) met diffusiegewogen opname, detecteren metastasen die met de traditionele technieken (botscan en computertomografie (CT)) onopgemerkt zouden zijn gebleven. Gegevens over de daadwerkelijk klinische functionaliteit van deze nieuwe technieken ontbreken echter nog. Dit leidt tot praktische dilemma’s bij de behandeling van patiënten met prostaatkanker, omdat de resultaten van grote klinische studies zijn gebaseerd op oude beeldvormende technieken. Deze dilemma’s kunnen pas worden opgelost als de diagnostische accuratesse van de nieuwe beeldvormende technieken, en de klinische consequenties van vroege detectie van metastasen, bekend zijn.



2019 ◽  
Vol 35 (1) ◽  
Author(s):  
Jan Dirk Vlasblom ◽  
Joop Schippers
Keyword(s):  

De baanvindkansen van ouderen zijn aanzienlijk lager dan die van jongeren. In de discussies daarover wordt wel verwezen naar het feit dat ouderen niet bereid zouden zijn om werk te accepteren voor een lager inkomen dan ze hadden. In dit artikel laten we op basis van gegevens uit het SCP-arbeidsaanbodpanel zien dat werkzoekende ouderen wel degelijk hun inkomenseisen omlaag bijstellen en werk accepteren onder hun vorige inkomensniveau. Ook vertonen zij geen ander sollicitatiepatroon dan jongere werklozen. Uit onze resultaten blijkt bovendien dat een lagere inkomenseis niet leidt tot een hogere werkhervattingskans. Wel wordt die werkhervattingskans sterk (negatief) beïnvloed door de leeftijd van de werkzoekende. We concluderen daarom dat ouderen hun werkhervattingskans niet of nauwelijks kunnen beïnvloeden door lagere inkomenseisen te stellen of hun zoekintensiteit aan te passen.



2015 ◽  
Vol 44 (3) ◽  
Author(s):  
Frank Gelaude
Keyword(s):  

In het verslag in dit GT nummer over de laatste dagen van de Duitse bezetting is er sprake van het ondermijnen en opblazen van de Gentse bruggen en stuwen. Daarin lezen we onder andere: ‘Het opblazen van die sluizen zou zware gevolgen hebben. Bij hoog water zou het tot overstromingen komen en bij lage tij zou de stad niet minder geteisterd worden door het leeglopen van haar waterbekkens.’ Wat is daar van aan?



KWALON ◽  
2014 ◽  
Vol 19 (3) ◽  
Author(s):  
AnneLoes van Staa ◽  
Fijgje de Boer

Twintig jaar geleden verscheen de tweede druk van Qualitative data analysis van Miles en Huberman (1994), een van de eerste standaardwerken gewijd aan kwalitatieve data-analyse. Zij beschreven de aanleiding voor hun boek als volgt: ‘the most serious and central difficulty in the use of qualitative data is that methods of analysis are not well formulated’ (Miles & Huberman, 1994). Met dit boek wilden zij een bijdrage leveren aan het ontwikkelen van expliciete, systematische analysemethoden, die geloofwaardig en repliceerbaar zouden zijn. Ook in het onderwijs over kwalitatief onderzoek wordt nog weinig aandacht besteed aan data-analyse, in vergelijking met de aandacht voor dataverzameling. Leerboeken over kwalitatief onderzoek wijden meestal aparte hoofdstukken aan observeren, interviewen en het houden van focusgroepen, gevolgd door een algemeen hoofdstuk over data-analyse, waarin algemene stappen worden beschreven. In de afgelopen jaren lijkt deze lacune te worden goedgemaakt door een toenemende aandacht voor kwalitatieve data-analyse: er zijn tientallen boeken over data-analyse vanuit verschillende invalshoeken gepubliceerd. Onlangs verscheen ook een tweede bewerkte druk van Hennie Boeijes boek Analyseren in kwalitatief onderzoek: denken en doen, en binnenkort zal ook een boek van Jeanine Evers het licht zien: Kwalitatieve analyse: kunst én kunde. Beide boeken komen in dit themanummer aan bod. Nu kwalitatieve onderzoeksmethoden steeds meer ‘volwassen’ zijn geworden en een bredere belangstelling en acceptatie genieten, ligt het voor de hand om de basisprincipes van kwalitatieve data-analyse aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Data-analyse vormt een van de belangrijkste onderdelen van een kwalitatief onderzoek, maar in de uitvoering blijken grote verschillen te bestaan. Het leek ons daarom belangrijk om in dit 57ste nummer van KWALON aandacht te besteden aan verschillende wijzen van kwalitatieve data-analyse.



KWALON ◽  
2014 ◽  
Vol 19 (2) ◽  
Author(s):  
Martijn van Lanen
Keyword(s):  

Op de eerste plaats wil ik Jillis Kors hartelijk bedanken voor zijn boeiende en zorgvuldige recensie. Ik ben van mening dat hij er goed in geslaagd is om zowel de sterke kanten als de ‘mitsen en maren’ van mijn onderzoek op een rij te zetten.De omschrijving van de methodologische onderbouwing van mijn proefschrift als ‘in de meest positieve benadering als een snoepwinkel voor kwalitatieve onderzoekers. In de meest negatieve benadering (…) een duizelingwekkende attractie (…) waarbij diverse vraagtekens geplaatst kunnen worden’, vind ik zeer vermakelijk, maar absoluut ook treffend. Methoden zijn voor mij dienend om een verhaal op gestructureerde wijze te vertellen. Voortdurend wilde ik het verhaal waarvan ik als onderzoeker vond dat het verteld moest worden, leidend houden. De methodiek heeft in die zin ook het verhaal, de betekenisvolle etnografie van het werk van de sociale professionals, gevolgd. En daarbij komen we inderdaad zowel snoepwinkels als duizelingwekkende attracties tegen. Methodisch gezien wellicht niet geheel comme il faut. Aan de andere kant is het daarmee wel een logisch gevolg van gemaakte keuzes.Ik weet niet zeker of ik de conclusie van Kors juist interpreteer. Hij lijkt te suggereren dat ik concludeer dat sociale professionals niet veel nieuws doen. In dat geval deel ik deze conclusie niet. Integendeel, ik geef aan dat sociale professionals juist voortdurend hun nek uitsteken, complexe keuzes maken en beslissingen moeten nemen waarbij de uitkomsten niet van tevoren vaststaan. En nog belangrijker: dat de professionals daarbij zeer gebaat zouden zijn bij bedrijfskundige vaardigheden als risicotaxatie en scenarioplanning. Het werk in de sector kost geld en heeft risico's. Daar moeten de professionals zich meer toe gaan verhouden. En de ervaring leert, wanneer ik deze resultaten voorleg aan studenten en/of het werkveld, dat dit wel degelijk nieuwe inzichten zijn.



Author(s):  
Mark Adriaen ◽  
Luc Devriese
Keyword(s):  

In dit artikel wordt een zogenaamde 'hemelbrief' beschreven: een brief waarin gesteld wordt dat hij een boodschap uit de hemel bevat. In tegenstelling tot de meeste dergelijke brieven die door een aartsengel naar de mensen zouden zijn gebracht, is de heilige Brigitta hier de boodschapper. Net als andere in collectes bewaarde en in de literatuur beschreven exemplaren heeft het de vorm van een opgeplooid papiertje dat als talisman of amulet meegedragen werd. De eigenlijke inhoud wijkt af van wat gebruikelijk is. De brief bevat een gedetailleerde opsomming van de verschillende mishandelingen (kaakslagen, vuistslagen, enz.) die Jezus onderging na zijn gevangenneming. De aantallen zijn extreem hoog. De ongewoon gruwelijke opsomming wordt gevolgd door beloften van verlossing van de vagevuurstraf voor wie een quasi onmogelijk aantal gebeden bad. Of gemakkelijker: wie het papiertje godvruchtig met zich meedroeg, mocht in het stervensuur hopen op een genadige tussenkomst van Maria, de moeder van Jezus en middelares (bemiddelaarster) tussen God en de mensen. Het briefje wordt vergeleken met het zogenaamde krachtig gebed van Keizer Karel en met gebedsbriefjes met soortgelijke inhoud, gebruikt als talisman maar niet 'uit de hemel gestuurd



KWALON ◽  
2013 ◽  
Vol 18 (2) ◽  
Author(s):  
Gerben Moerman

Mijn vermoeden is dat bijna alle docenten in kwalitatief onderzoek de uitspraak herkennen van een van de KWALON-redacteuren ‘dat studenten na de cursus in kwalitatief onderzoek toch “blijven” denken in “kwantitatieve” termen’. Ik herken de uitspraak in ieder geval wel en heb zelf ook dergelijke gedachtes gehad. Sterker nog, ik denk dat juist dit mij al een aantal jaar inspireert om mijn onderwijs te verbeteren.Maar waarom inspireert dit eigenlijk? Wat is nou precies het probleem dat studenten in kwantitatieve termen denken na een vak over kwalitatief onderzoek? Op de eerste plaats is het denken in kwantitatieve termen natuurlijk totaal geen probleem als het om kwantitatief onderzoek gaat. Maar sommige kwantitatieve kwaliteitscriteria zijn minder relevant in en adequaat voor kwalitatief onderzoek. Voor veel kwalitatief onderzoek is generalisatie naar een populatie geen doel en dan is het criterium externe validiteit dus irrelevant. Andersom is het net zo problematisch om kwalitatieve criteria te gebruiken voor kwantitatief onderzoek. Zo heb ik bij een vak als statistiek voor antropologen zelfs na afloop studenten horen zeggen dat ‘mensen niet in getallen te vatten zijn’. Overigens klaagde ironisch genoeg juist een van deze studenten over de beoordeling van opdrachten in de categorieën goed, voldoende of onvoldoende, omdat die niet precies genoeg zouden zijn. Het moge duidelijk zijn dat de leerdoelen van mijn vak bij die studenten niet zijn overgekomen.Het probleem is dus niet alleen een probleem van het doceren van kwalitatief onderzoek, maar ook een standaardprobleem van doceren. Iets nieuws aanleren is niet zo moeilijk, maar iets afleren blijkt dat vaak wel. Studenten leven net als alle andere mensen in een wereld die ze voor lief nemen. In die leefwereld worden aan situaties waarmee ze in contact komen betekenissen gegeven vanuit bestaande kennis, of bekende andere situaties of acties. In termen van Schütz (1953) gebruiken mensen typificaties om betekenis te geven aan hun leefwereld. Door dergelijke typificaties is het logisch dat wanneer een student in contact komt met methodologie en wetenschap er vanuit een ‘wetenschappelijk methodologie’-vaatje wordt getapt.Dus wanneer studenten na afloop van een vak over kwalitatief onderzoek nog steeds in kwantitatieve termen over onderzoek praten, is blijkbaar niet helder genoeg geworden dat die typificatie een onjuiste is.Maar hoe komen die studenten nou aan een dergelijke typificatie?De typificatie van wetenschappelijke methodologie komt volgens mij voor een belangrijk deel voort uit populaire noties over wetenschap. Als we naar politieseries kijken, is de kwalitatieve analyse de meest dominante vorm. De rechercheurs voeren briljante kwalitatieve interpretaties uit. Het ultieme bewijs komt echter nooit door het verstehen van de rechercheur, maar door het saaie DNA. Echte wetenschap is hard en bestaat uit metingen van objectieve waarnemingen. Vroeger stond in de KIJK al niets over sociale wetenschappen en tegenwoordig is de oogst in de Quest ook mager. Sociale wetenschap wordt op televisie in programma’s als Proefkonijnen, de Nationale Wetenschapsquiz en De Wetenschap Draait Door helaas vooral gerepresenteerd door kwantitatief ingestelde onderzoekers die meestal experimenten uitvoeren. De common sense is toch dat verificatie in een experiment wetenschappelijk bewezen betekent. Mijn onderbuikgevoel is dat een naïef positivistisch beeld van de wetenschap simpelweg dominant is in de wereld buiten de hogeschool en universiteit.Maar als de typificatie daarvandaan komt, wat kunnen we er dan aan doen? Kunnen we wel het dominante discours veranderen? Dat laatste is in ieder geval minder makkelijk dan het veranderen van onze opleidingen, dus daar zal ik mij op richten in de beantwoording van de gestelde vraag: ‘Wat zijn adequate strategieën om bij studenten de identificatie van wetenschappelijk met kwantitatief denken te doorbreken?’Volgens mij moeten we eerst naar de hele opleiding kijken. Ik denk dat een van de manieren om de naïef kwantitatieve opmerkingen tegen te gaan een gedegen inleiding in de methodologie is. Aangezien deze inleiding bij veel opleidingen wordt gecombineerd met statistiek, zit daar al een belangrijk deel van het probleem. Mijn ervaring is dat een inleiding methodologie beter los kan staan van de praktische toepassing. Als de inleiding methodologie een theoretisch methodologisch vak is, wordt het weliswaar saaier, maar dan ligt de focus bij studenten veel meer op begrip van methoden in plaats van op de technieken, zoals het uitrekenen van sommen of het transcriberen van interviews. In een brede inleiding kun je ook verschillende ontologische en epistemologische posities naast elkaar zetten en vanuit die wetenschapsfilosofie gaan praten over methoden en technieken. Ik verwacht dat na een goede brede inleiding in de methodologie de typificatie van goed wetenschappelijk onderzoek in ieder geval diverser is.Een absoluut succesnummer in de common sense van studenten is dat onderzoek generaliseerbaar moet zijn. In krantenberichten over sociaalwetenschappelijk onderzoek is dat ook het dominante validiteitscriterium. Hoe belabberd de enquêtevragen ook, hoe wankel de correlaties, hoe onzinnig de vermeende causaliteit, hoe kunstmatig de onderzoekssetting, het onderzoek is pas goed als de steekproef bestaat uit meer dan duizend personen.Iedereen die iets weet van random sampling en selectieve respons weet dat dit magische getal toch niets hoeft te betekenen. Een goede steekproef is niet alleen een grote steekproef. En in veel kwalitatief onderzoek is het doel niet om te generaliseren naar een populatie.Om een of andere reden beklijft dergelijke kennis niet bij alle studenten. In statistiekcursussen vinden wij docenten het blijkbaar belangrijker dat de schattingen van studenten goed zijn dan dat we studenten vertellen wat er mis is met de schattingen in echte enquêtes. Wanneer studenten door kennis van kwantitatieve methoden deze ook kunnen relativeren, zou dit ook geweldig helpen.Echter, de rest van de opleiding beter maken is een noodzakelijke, maar niet voldoende manier om studenten van kwantitatieve typificaties af te helpen. Ik bespreek hieronder drie manieren waarop ik dat in mijn eigen onderwijs probeer.



2012 ◽  
Vol 66 (4) ◽  
pp. 266-282
Author(s):  
Evert van den Berg
Keyword(s):  

Afgezien van elohiem en het epitheton Šjaddaj verschijnen er in Job drie namen voor de godheid: El, Eloah en JHWH. Gewoonlijk worden El en Eloah, evenals elohiem, vertaald met het woord ‘God’, omdat ze onderling verwisselbaar zouden zijn. In deze bijdrage wordt beargumenteerd dat El en Eloah onderscheiden moeten worden, omdat ze verschillende connotaties hebben: een verre El staat tegenover een nabije Eloah. Tegen het einde van het Bijbelboek verdwijnen beide aanduidingen evenwel naar de zijlijn en blijkt JHWH de enige. Het totaalbeeld kan geïnterpreteerd worden als de neerslag van een zoektocht naar het monotheïsme.



2012 ◽  
Vol 28 (2) ◽  
Author(s):  
Pascale Peters

In mijn proefschrift The vulnerable hours of leisure (Peters, 2000) reflecteerde ik op de veranderende relatie tussen werk en privé in de naoorlogse periode. In tegenstelling tot de belofte van de ‘vrijetijdsmaatschappij’ (Dumazedier, 1967), die door de toegenomen arbeidsproductiviteit binnen handbereik leek, nam ondanks formele arbeidstijdverkorting de druk op de vrije tijd toe. Oorzaken hiervan waren de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen, de nieuwe eisen die werden gesteld aan opvoeding (waaronder het nieuwe vaderschap) en consumptie, én de intensivering van het betaald werk in het licht van de toegenomen internationale concurrentie. In diezelfde periode nam de vraag naar flexibiliteit voor de werkgever toe, maar ook de behoefte onder werknemers aan autonomie en tijd-ruimtelijke flexibiliteit, persoonlijke groei en uitdaging in het werk.Mijn huidige interesse in onderzoeksthema’s zoals telewerken en Het Nieuwe Werken, werk-privébalans, en de verschuivende en (half)doorlatende grenzen tussen het werk- en het privédomein, sluiten aan bij de bovengenoemde trends. Telewerken, ofwel het werken op afstand van de werkgever of opdrachtgever met behulp van ICT, is een concept dat in de jaren zeventig tijdens de oliecrisis werd geïntroduceerd om de mobiliteitsbehoefte en de hiermee samenhangende milieuschade te reduceren. In de crisis van de jaren tachtig werd telewerken gebruikt om werkprocessen efficiënter in te richten en kosten te besparen. In de krappe arbeidsmarkt van de jaren negentig was telewerken voornamelijk een secundaire arbeidsvoorwaarde, afgedwongen door werknemers met een sterke arbeidsmarktpositie die behoefte hadden aan een betere werk-privébalans of geconcentreerd werken. Aan het begin van deze eeuw leek telewerken compleet van de agenda te zijn verdwenen, maar na het verschijnen van de white paper ‘The New World of Working’ van Microsoft CEO Bill Gates (2005) geniet het concept onder de naam Het Nieuwe Werken (HNW) vooral sinds de jaren daarna opvallend veel maatschappelijke en wetenschappelijke aandacht.Gates presenteerde een fundamenteel ‘nieuwe visie op werk’. Werk zou met behulp van technologie efficiënter en effectiever kunnen worden georganiseerd, maar tegelijkertijd ook gepaard kunnen gaan met meer arbeidsplezier en zingeving. De opkomst en noodzaak van een nieuwe manier van werken waarin elementen van het vrijetijdsdomein, zoals plezier en zeggenschap, zouden zijn overgeslagen naar het arbeidsdomein, waren al eerder door vooraanstaande wetenschappers aangekondigd en bepleit (Bell, 1974; Drucker, 2000; Galbraith, 1958). Maar blijkbaar vormde het samenspel van ontwikkelingen na 2005 pas dé window of opportunity om telewerken en HNW, zowel bij overheid, werkgevers als werknemers, (opnieuw) onder de aandacht te brengen. De motieven die nu worden genoemd, lijken sterk op die uit het verleden (mobiliteit en milieu; efficiency en bezuinigingen; krapte op de arbeidsmarkt en werk-privébalans). Meer dan telewerken wordt HNW echter gedreven door de sterk toegenomen concurrentie en de noodzaak om werknemers te engageren en te motiveren om zich in te zetten voor de strategische doelen van de organisatie.Anders dan telewerken, dat vaak betrekking heeft op individuele afspraken tussen een individuele werknemer en zijn of haar leidinggevende, vraagt HNW om een radicale organisatiebrede cultuurverandering die werknemers stuurt in de richting van het gewenste gedrag. In mijn onderzoek verwijst HNW tevens naar een HRM-systeem dat bestaat uit een bundel van praktijken: een hoge mate van professionele autonomie en verantwoordelijkheid voor het tijdig bereiken van resultaten; tijd-ruimtelijke flexibiliteit; en (virtuele) samenwerking (Peters et al., 2011). Vrijheid en verantwoordelijkheid impliceert tevens dat werknemers zich proactief en innovatief dienen te gedragen. De nieuwe manier van werken maakt het mogelijk om altijd, overal, en met verschillende partners (virtueel) samen te werken. In welke mate de werknemer van deze mogelijkheden gebruikmaakt, hangt af van de behoefte van de individuele werknemer, maar ook van die van de organisatie en de klant.In het huidige debat wordt de met HNW geassocieerde flexibiliteit vaak gelijkgesteld aan work-life balance. Juist daarin schuilt een gevaar. Het collectief loslaten van de traditioneel sociaal geconstrueerde grenzen tussen werk en privé maakt het mogelijk om over eigen grenzen heen te gaan, vooral wanneer de verantwoordelijkheid voor het behalen van targets en strakke deadlines door werknemers sterk wordt gevoeld. De mogelijkheid om werk en privéactiviteiten meer door elkaar heen te laten lopen (blurren) of te vermengen (blenden) kan ertoe leiden dat werknemers die werk en privé sterker integreren, een verstoorde werk-privébalans ervaren, bijvoorbeeld omdat zij werken op tijdstippen die voorheen gereserveerd waren voor gezinsactiviteiten.Het bovenstaande wordt bevestigd in een recente studie binnen vier organisaties waarin hoogopgeleide kenniswerkers in hoge mate flexibel kunnen werken naar tijd en plaats, zelf verantwoordelijk zijn voor de manier waarop ze hun rol binnen de organisatie vormgeven, en worden afgerekend op hun prestaties (Peters et al., in voorbereiding). De studie laat zien dat de manier waarop werknemers hun grenzen tussen werk en privé bewaken of ‘managen’ (variërend van een hoge mate van segmentatie tot een hoge mate van integratie), niet samenhangt met het ervaren van werk-privéconflict. Wel blijkt een hoge mate van integratie samen te gaan met het ervaren van minder positieve spill-over van privé naar werk. Opvallender is echter dat één op de vier werknemers in deze studie werk en privé meer integreerde dan gewenst (slechts één respondent segmenteerde meer dan hij of zij zou willen). Deze discrepantie ging gepaard met meer disbalans, vooral wanneer werknemers meer verantwoordelijkheid namen voor het behalen van de gestelde werkdoelen.De vrijetijdsmaatschappij in termen van het vertalen van productiviteitswinst door de inzet van ICT in het werk naar meer vrije tijd voor allen is niet uitgekomen. Wel werd in de naoorlogse periode de basis gelegd voor Het Nieuwe Werken. Vrijetijdselementen zijn steeds meer het arbeidsdomein binnengedrongen. Werken is plezieriger geworden en een nieuwe manier van organiseren heeft de zeggenschap van werknemers over waar en wanneer zij kunnen werken vergroot. Het realiseren van de missie van HNW staat of valt echter met het creëren van de juiste cultuur waarin werknemers op een verantwoorde wijze gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die HNW biedt, zoals het blurren en blenden van werk en privéactiviteiten. In de context van HNW kan integratie echter gemakkelijk doorschieten en moet dan ook niet worden verward met work-life balance.



Sign in / Sign up

Export Citation Format

Share Document